Expo 50 jaar Trefpunt

Op 10 juli opende in het Triodos Bankkantoor aan de Steendam 8 in Gent een tentoonstelling over 50 jaar Trefpunt op de Gentse Feesten. De expo toont een bonte verzameling affiches, programma’s, foto’s en filmfragmenten sinds 1970.

Van 10 juli tot 30 augustus 2019
Maandag, dinsdag en vrijdag : 9u tot 13u – 14u tot 17u
Woensdag : 9u tot 13u
Donderdag : 9u tot 13u – 14u tot 18.30u
Gesloten op zaterdag en zondag

Tijdens de Gentse Feesten – 19 t/m 28 juli 2019
Doorlopend open van 10u tot 18u30
Gesloten op zaterdag en zondag

Foto’s: Elena Reynaert

Voorpublicatie biografie Walter De Buck

In de lente van 2020 verschijnt bij Uitgeverij Houtekiet de biografie van Walter De Buck (1934-2014). Op dit moment schrijven twee gewezen radiomakers samen het boek: folkkenner Dree Peremans en Elke Vandersypen. Ze doorzoeken archieven en praten met bevoorrechte getuigen om het leven van Walter De Buck en van zijn Trefpunt, zijn beeldende werken en zijn muziek te reconstrueren.

Als u nog relevante informatie heeft voor hen, is die welkom op info@walterdebuck.be.

Hieronder vindt u een voorpublicatie uit de biografie. Het fragment gaat terug naar de oorsprong van de Gentse Feesten. U kunt het fragment hier ook downloaden.


1962-1967: Trefpunt vzw, voorloper van de nieuwe Gentse Feesten

De zomer van 1962 was koud en staat met een gemiddelde temperatuur van slechts 14,7 graden op de vierde plaats van koude zomers sinds 1901. Rik Van Looy wint met 1’29” voorsprong Gent-Wevelgem. Behalve één eenzame Hongaar – Ferenc Banky- zijn alle spelers van AA Gent Belgen. Bij Willy Vandersteen verschijnt de tweekleurenuitgave van De ringelingschat en Schanulleke heet nog gewoon Schalulleke, Sidonia is ouderwets Sidonie. De laatste stoomtrein rijdt op de lijn Gent-Brussel. Tijdens de Zesdaagse van Gent brandt het Kuipke af. In Wippelgem wordt ene Luc De Vos geboren en in Antwerpen stopt La Esterella voorlopig definitief met zingen. En toch is Walter De Buck niet gelukkig.

In Gent maakt hij namelijk ruzie met Paula, zijn eerste vrouw: ‘Over geld. Omdat ik als artiest niet genoeg verdiende naar haar zin. Dus zei ik dat ze maar een kruidenwinkel moest openen. Ik trok de stad in om een pand te zoeken. Zo belandde ik op Sint-Jacobs.’[1]

Om uit de ‘artiestenarmoede’ te geraken, gaat Walter op zoek naar een plek om artistiek bezig te blijven én tegelijk geld te verdienen voor een gezin met drie kinderen. India waait nog door zijn hoofd, maar van dromen kan je geen brood kopen.

Over hoe Walter in dat pand bij Sint-Jacobs terechtkwam, doen allerlei verhalen de ronde. De jonge Bob De Moor woonde aan de overkant van het plein boven de kapperszaak van zijn vader. Eerst was Trefpunt een galerie. Walter heeft dat gehuurd om er zijn atelier van te maken. Hij had te weinig ruimte aan de Leie en ging met de fiets op zoek naar een nieuwe plek. ’s Avonds had hij wat gevonden en thuishaalde hij samen met zijn broer de brandende stoof – een continu – uit de schouwpijp, zette ze in zijn camionette en sloot ze – in wat het Trefpunt zou worden – weer in de schouw. De stoof werd even aangewakkerd en ze was weer vertrokken. Zo heeft Paula het mij toch verteld. Uiteindelijk is het niet zijn atelier geworden, maar heeft hij daar een expositieruimte van gemaakt. Die werd dan door Milou en Jules Lammertyn opengehouden.’

Van een verhuurkantoor krijgt hij de sleutels van een pand in het centrum, zeer goedkoop maar met ‘mogelijkheden’. Vertaald van makelaarsjargon naar dagelijks Nederlands betekent dat dat er nogal wat werk aan was. Walter vertelt: Zo kwam ik in de toen desolate wijk Sint-Jacobs terecht. Op amper een goede vijfhonderd meter van het Belfort, wakend hart van onze fiere stad, werden daar de vroegmarkt en de rommelmarkt gehouden. Groenteboeren kwamen er uit de dorpen rond Gent hun salade, savooien en patatten verkopen, en dan vele dreupels[2] drinken tot de zon over de daken kwam gluren. Dan trokken ze met paard en kar terug naar hun lochting[3] en lieten Sint-Jacobs voor dood achter. Alleen op vrijdag en zaterdag duurde de drukte tot de noen, want dan was er rommelmarkt. Zeer pittoreske sfeer, maar de dikwijls mooie huizen dienden enkel om de lege groentekisten en rommel in te stapelen. Mooie oude gevels waren overtimmerd met grote publiciteitsborden.

Zo belandde ik met mijn fiets aan het huisje op Sint-Jacobs. Mooi huisje, met een voutekamertje[4], eikenhouten nog met de hand gekapte deurtjes, mooie oude draaitrap, maar alles met gazetten en behangpapier beplakt. Er was inderdaad wel wat werk aan. (…) Hoe is het mogelijk, dacht ik, een van de mooiste middeleeuwse steden van Europa, weggemoffeld achter publiciteitsborden en behangpapier. Mijn vrienden Raf en Marcel kwamen me bezoeken, terwijl ik het puin in het oude huisje aan het opruimen was. Marcel, onze dichter, en misschien wel de meest praktische van ons drie, zei: “Laat ons er een bar van maken, ik zal barman zijn, een echt artiestencafé!”

Na veel gepalaver en ruzies met de vrouw, die haar droom van een kruidenierszaak in rook zag opgaan, hebben we er “Trefpunt” van gemaakt. Het gelijkvloers werd tentoonstellingsruimte en het kleine keldertje onder de voutekamer werd de bar.’

Zijn vrienden Raf Opstaele en Marcel Van Maele hebben dan wel het zalige idee gehad om er samen met Walter een ontmoetingsplaats, een trefpunt van te maken, zijn meer praktisch ingestelde vriend Luc Daels neemt het initiatief voor de oprichting van vzw TREFPUNT, ontmoetingsplaats voor kunstenaars en sympathisanten (later ook: ter bevordering van Kunstambachten).

‘Het galerijtje bestond uit een voutekamerke en de ruimte van de gewezen fietsenwinkel met die daarachter gelegen woonkamer van waartussen ik de muur had weggenomen. Als er samenkomsten waren deed de keuken, gelegen naast de vroegere woonkamer, dienst als bar. Daar stond een oude ronde tafel met boerenstoeltjes van de rommelmarkt, enkele bakken bier, dozen vol wijn en een koelkast met de nodige flessen jenever. Maar de feitelijke bar was het kelderke onder de voutekamer. Een klein witgekalkt kelderke met kruisgewelf, vier houten banken langs de muur, een kacheltje in het midden en drie houten biervaatjes als tafel.’[5]

Luc Daels: ‘Ik ben een van de stichters van Trefpunt, maar ik ben daar niet zo lang actief geweest. Walter en zijn familie hadden het dan buitengewoon moeilijk. Ik dacht een centrum op te richten om inkomsten voor Walter en zijn gezin te hebben. Daarna heb ik me zeer snel teruggetrokken, na twee, drie jaar. Ik ging er wel nog naartoe, maar ik nam niet meer deel aan de organisatie, was ook geen voorzitter meer. (…) Wie heel veel voor Trefpunt heeft betekend, waren Milou en Jules Lammertyn. Milou heeft dat verschillende jaren uitstekend gedaan.’

De officiële oprichters van vzw Trefpunt zijn Luc Daels, zijn collega aan de RUG Gaston Tavernier, advocaat Marc Gevaert en Hugo Goossens. Geen Walter De Buck of echtgenote Paula Monsaert bij de stichters, maar zij verzekeren wel de praktische kant van de activiteiten in Trefpunt.

Bij de plechtige opening mag Jan d’Haese het woord voeren: ‘Gent is een oude stad, met een ouderwets kunstleven. Dat is géén kritiek, maar een vaststelling. Deze vaststelling heeft niet de bedoeling de verdiensten der ouder-wordende artistieke promotors te verminderen, of de good will der jongere enthousiasten in twijfel te trekken. Deze vaststelling wil alleen maar tot de conclusie leiden dat er, om modern te zijn, héél wat aan het artistieke wereldje van Gent ontbreekt. Er ontbreekt om te beginnen een “Trefpunt” waar een direct en … blijvend contact kan ontstaan tussen kunstenaar en publiek, tussen (wat in deze tijd uit de mode is geraakt) de kunstenaars onderling. (…) Het “Trefpunt” zal voor iedereen zijn. Zolang die “iedereen” interesse zal vertonen voor de noden van de mens en de kunstenaar anno 1962. En voor zijn toekomst.’

Vandaag, zovele lange jaren later, is dat oude huisje van de voormalige fietsenwinkel nog altijd een Trefpunt en ondertussen ook het kloppende hart van de Gentse Feesten. Het kleine pand kreeg een uitbreiding in het belendende perceel, maar de ‘oude draaitrap’ is nog altijd een levensgevaarlijke beklimming. Hij leidt nu naar de kantoren waar de Feesten elk jaar worden heruitgevonden. De kelder is een opslagplaats voor dranken geworden. Het voutekamertje is een herinnering aan de dagen van weleer. Maar het is en blijft een trefpunt in de meest letterlijke betekenis van het woord. Zoals het dat ook was in de vroege jaren zestig.


[1]  Sabine Van Damme Het Laatste Nieuws, 21-12-2014

[2] borrels

[3] groentetuin

[4] opkamer

[5]  Walter De Buck in Knack, zomer 1991